Het Embryo
Eens waren wij allen een embryo. Zijn conceptie behoort tot de orde van het ageren en drukt zich uit in een intieme omhelzing van het koppel man-vrouw.
De kwesties over de embryo’s kaatsen terug op onszelf, op ieder van ons. Had men ons in embryonale staat verwijderd dan zouden wij er nu niet over discuteren.
Het embryo is de conjunctie van twee kiemcellen: de ene, de eicel, die de 23 vrouwelijke chromozomen bevat en de andere, de spermatozoïde met de 23 mannelijke chromozomen.
Zodra de spermatozoïde binnen de eicel gedrongen is, bestaat het embryo. Vanaf dit ogenblik produceert deze laatste twee proteïnen, de ene dient tot de versteviging van zijn omhulsel om het indringen van een andere spermatozoïde te verhinderen, en de tweede wordt naar de moeder gestuurd om haar immuunsysteem te beïnvloeden en te verhinderen niet als een vreemd voorwerp verwijderd te worden.
Is dit niet reeds de eerste manifestatie van een autonoom individu?
Het embryo bezit nu zijn volledige genetische bagage nodig voor zijn ontwikkeling. De enige band met de moeder is een verbinding nodig om het voedsel te bekomen noodzakelijk voor zijn ontwikkeling, in hetzelfde opzicht zoals wij voedsel nodig hebben voor onze ontwikkeling en overleving.
Vanaf het ogenblik van de bevruchting, ontstaat een nieuw wezen, niet dat van de vader noch dit van de moeder maar een nieuw menselijk wezen dat zichzelf ontwikkelt. Zijn biologische identiteit is volledig bepaald. Door dit feit heeft het embryo recht op het onvoorwaardelijke respect toegekend aan ieder menselijk wezen, dus het onschendbare recht op het leven.
Daaruit vloeit voor dat iedere experiment op embryo’s, buiten de therapeutische voor het embryo, ongeoorloofd is.
Hoe kan men denken dat een embryo een menselijk wezen wordt wanneer het, het niet reeds is, vanaf zijn oorsprong?
Ieder ander criteria kan slechts willekeurig gekozen worden onder invloed van utiliteitsstreven of materialistische beschouwingen.
