Men heeft diegene die in het bestaan van God geloven en diegenen die denken dat God niet bestaat. De enen zowel als de anderen "geloven". Vermits er geen concrete materiele bewijzen voorhanden zijn voor ieders geloof is men zich wederzijds respect, tolerantie en begrip verschuldigd.
De enen zowel als de anderen hebben dezelfde rechten, dezelfde verplichtingen en moeten samen deelnemen aan de staatsorganisatie.
De laïciteit is alzo te verstaan als een splitsing, autonomie, van het politieke en religieuze gezag.
Uit deze toestand kan men afleiden dat de Staat niet "neutraal" kan zijn en dat een neutrale filosofie een illusie is, vermits de enen zowel als de anderen uitgaan van een bepaalde filosofische overtuiging. De religie in de "private" sfeer willen drukken is aldus eveneens een illusie en dient beschouwd te worden als gewoon machtsmisbruik.
Indien het dragen van een teken de uitdrukking is van het toebehoren tot een bepaalde instelling dan kan men "het niet dragen" van een teken beschouwen als het toebehoren tot een andere instelling. Zo gezien wordt het ongepast zich te verzetten tegen het dragen van een teken, zij dit opvallend, religieus of niet.
Indien wij de vrije meningsuiting, de vrijheid van godsdienst, de tolerantie, openheid aanprijzen, hoe kunnen wij dan het verbod van religieuze tekens, zelfs opvallende, begrijpen?
Er bestaan dan tenslotte nog de "agnostici" die denken niet te kunnen kiezen. Laten we dan Leo MOULIN als voorbeeld nemen, hij die zichzelf agnostisch noemt, en nemen we dan zijn boek "Libre parcours, itinéraire spirituel d'un agnostique" uitgegeven door Racine. Dit ware uitstekende lectuur, voor de enen zoals voor de anderen. Vele van onze clichés zouden zichzelf vernietigen en onze levenskwaliteit zou verbeteren. Is dit niet het waarachtig zoeken naar een beter “Algemeen Goed”?
