Deze werd door 45 islamitische landen, TURKIJE inbegrepen, aangenomen. Dit gebeurde op 5 augustus 1990, te Cairo (Egypte), ter gelegenheid van de 19e Islamitische Conferentie der ministers van Buitenlandse Zaken. (OCI)
Inleiding: Men herbevestigt de beschavende en historische rol van de islamitische Oemma, die God als de beste gemeenschap gemaakt heeft: die aan de mensheid een universele evenwichtige beschaving nagelaten heeft.
De Oemma wil een verzoening tot stand brengen tussen het leven hier beneden en later, tussen de wetenschap en het geloof, binnen een gemeenschap waarvan men vandaag verwacht dat ze de weg verlicht van de mensheid, heen en weer geschud tussen zoveel lopende denkbeelden en tegenstrijdige ideologieën.
Ze wil een oplossing brengen voor de chronische problemen van de materialistische beschaving.
Men is bezorgd om bij te dragen aan de inspanningen van de mensheid tot het waarderen van de rechten van de mens met als doel hem te beschermen tegen uitbuiting en vervolging, en zijn vrijheid te bevestigen en zijn recht op een waardig leven, conform aan de Sjaria.
Men is er zich van bewust dat de mensheid, die aanzienlijke vorderingen gemaakt heeft op materieel gebied, de dringende noodzaak ondervindt en zal ondervinden van een diepe religieuze overtuiging, om zijn beschaving te ondersteunen en van een barrière ter bescherming van zijn rechten.
Men is ervan overtuigd dat, in de Islam, de fundamentele rechten en de openbare vrijheden integraal deel uitmaken van het Islamitisch geloof, en dat in principe niemand, het recht heeft ze geheel of gedeeltelijk te verhinderen, ze te verkrachten of te ontkennen, want deze rechten zijn de goddelijk uitvoerbare bevelen, door God gedicteerd in zijn geopenbaarde Boeken.
Deze bevelen zijn de hemelse boodschap die Hij aan de laatste van zijn profeten ter voltooiing opgedragen heeft. De gehoorzaamheid aan deze regels zal een teken zijn van godsvrucht; het loochenen of verkrachten ervan zal een te veroordelen daad zijn tegenover de religie waarvoor ieder mens voor zich en de gemeenschap in zijn totaal verantwoordelijk is.
Steunend op het voorafgaande wordt wat volgt vastgelegd:
Artikel 1
a) Alle menselijke wezens behoren tot dezelfde familie waarvan de leden verenigd zijn door hun onderwerping aan God en hun afstamming van Adam. Alle mensen, zonder onderscheid van ras, kleur, taal, godsdienst, sekse, politieke strekking, sociale status of gelijk welke andere beschouwing, zijn gelijk in waardigheid, in plichten en in verantwoordelijkheid. Het echte geloof, dat de mens in staat stelt zich te voltooien, is de garantie tot bevestiging van deze waardigheid.
b) Alle mensen zijn onderworpen aan God; hij die zijn zegening het meest waardig is, is diegene die zich het meest nuttig maakt voor zijn naaste. Niets is verdienstelijker dan de vroomheid en de goede daad.
Artikel 2
a)-Het leven is een geschenk van God, gegeven aan ieder mens. De individuen, de verenigingen en de staten dienen dit recht tegen iedere aanval te beschermen. Het is verboden zonder gewettigd motief, het leven te ontnemen.
b)-Zijn toevlucht nemen tot middelen, die aanleiding geven tot uitroeiing van de menselijke soort is verboden.
c)-De bewaring van de continuïteit van de menselijke soort tot de termijn bepaald door God, is een heilige plicht.
d)-De onschendbaarheid van het menselijke lichaam is gewaarborgd; en zou geen onderwerp van agressie of aanslag mogen zijn zonder gewettigd motief.
De staat biedt waarborg voor het respecteren van deze onschendbaarheid.
Artikel 3
a)-Het is verboden in geval van toevlucht tot geweld of van gewapende conflicten, personen te doden, die niet aan de gevechten deelnemen, zoals ouderlingen, vrouwen en kinderen. Gewonden en zieken hebben recht op verzorging; gevangenen om gevoed, gehuisvest en gekleed te worden. Het is verboden doden te verminken.
Uitwisseling van gevangenen alsook hereniging van de door vijandelijkheden gescheiden families, zijn een verplichting.
b)-Het omhakken van bomen, het vernietigen van gewassen of van de veestapel, en de vernieling van burgerlijke gebouwen en installaties van de vijand, door bombarderen, opblazen of ieder ander middel, is verboden.
Artikel 4
Ieder mens heeft het recht dat zijn waardigheid en eer bewaard worden, zowel bij leven als na zijn dood. De staat en de gemeenschap dienen zijn stoffelijk overschot en zijn begraafplaats te beschermen.
Artikel 5
a)-De familie is de grondslag van de opbouw van de gemeenschap. Ze is gesteund op het huwelijk. Vrouwen en mannen hebben het recht om te huwen. Geen enkele rem met betrekking tot ras, kleur of nationaliteit kan hun beletten van dit recht te genieten.
b)-De gemeenschap en de staat hebben de plicht tot opruiming van de hinderpalen voor het huwelijk en het te vergemakkelijken, de familie te beschermen en haar te omringen met de vereiste aandacht.
Artikel 6
a)-De menselijke waardigheid van de vrouw is gelijk aan deze van de man. Zij heeft evenveel rechten als plichten. Ze geniet van haar burgerlijke staat en financiële onafhankelijkheid, alsook heeft zij het recht haar voornaam en vaders naam te behouden.
b)-De plicht tot onderhoud van de familie en de verantwoordelijkheid om haar te bewaken, berusten bij de man.
Artikel 7
a)-Elk kind heeft, naar zijn ouders, de gemeenschap en de staat toe, het recht om onderlegd, opgevoed en beschermd te worden en dit op materieel-, moreel- en gezondheidsvlak. De moeder en de foetus dienen eveneens beschermd te worden en maken het voorwerp uit van bijzondere aandacht.
b)-De ouders en de wettelijke voogden hebben het recht het type opvoeding te kiezen die ze aan hun kinderen willen geven, hierbij verplicht rekening te houden met de belangstellingen en de toekomst van hun kroost, overeenkomstig de morele waarden en de voorzieningen van de Sjaria.
c)-Gelijkvormig aan de voorzieningen van de Sjaria, hebben de ouders rechten over hun kinderen; de naverwanten hebben de rechten over die van hen.
Artikel 8
Ieder mens heeft wettelijk vermogen, in overeenstemming met de Sjaria, met alle verplichtingen en verantwoordelijkheden die er uit voortvloeien.
Wanneer hij geheel of gedeeltelijk onbekwaam wordt, zal zijn voogd dit voor hem waarnemen.
Artikel 9
a)-Het zoeken naar kennis is een verplichting. Het onderwijs is een opdracht die toekomt aan de gemeenschap en aan de staat. Deze worden gehouden er de wegen en middelen toe te voorzien en er de verscheidenheid van te verzekeren in het belang van de gemeenschap en zo dat het de mens in staat stelt het Islam geloof te kennen en de realiteiten van het heelal te ontdekken, met als doel deze ten dienste van de mensheid te stellen.
b)-Ieder mens heeft recht op een samenhangende en evenwichtige opvoeding, op religieus vlak en op gebied van kennis van de materie, dit dient verzekerd te worden door de verschillende opvoeding- en oriëntatiestructuren, zoals de familie, de school, de universiteit de media, enz. Deze opvoeding moet de persoonlijkheid van de mens ontwikkelen, zijn geloof in God versterken, de zin voor rechten en plichten in hem ontwikkelen en hem leren ze te respecteren en te verdedigen.
Artikel 10
De Islam is de aangeboren godsdienst. Geen enkele vorm van dwang dient uitgeoefend te worden op de mens om hem te verplichten tot verzaken van zijn godsdienst voor een andere of voor het atheïsme; het is eveneens verboden om zijn armoede of onwetendheid voor dit doel te benutten.
Artikel 11
a)-De mens is vrij geboren. Niemand heeft het recht hem te onderwerpen, te vernederen, te onderdrukken of uit te buiten.
Hij is slechts dienstbaarheid verschuldigd tegenover God.
b)-Kolonisatie, onder al zijn vormen, is streng verboden; en staat gelijk met een van de ergste vormen van onderwerping. De volkeren die er het slachtoffer van zijn hebben het absolute recht zich er van te bevrijden en hun zelfbestuur te herstellen. Alle staten en volkeren hebben de plicht hen te steunen in hun strijd tegen iedere vorm van kolonisatie en bezetting. Alle volkeren hebben het recht om hun eigen identiteit te bewaren, te beschikken over hun eigen rijkdommen en hun natuurlijke hulpbronnen.
Artikel 12
In het kader van de Sjaria, heeft ieder mens het recht op bewegingsvrijheid en het kiezen van zijn verblijfplaats in of buiten zijn land. Bij vervolging heeft hij het recht om naar een ander land te vluchten. Het land dat hem opvangt dient hem asiel te verlenen en hem te helpen in de bescherming van zijn veiligheid, behalve als zijn uittocht ingegeven werd door een misdaad die hij zou gepleegd hebben als inbreuk op de regels van de Sjaria.
Artikel 13
Werk is een recht, gewaarborgd door de Staat en de gemeenschap, voor allen die er toe bekwaam zijn.
Ieder individu heeft de vrijheid om het werk te kiezen dat hem past en dat hem toelaat om zijn en het belang van de gemeenschap te verzekeren.
De werker heeft recht op veiligheid en bescherming, alsook op alle andere sociale voorzieningen. Het is niet toegelaten hem te belasten met een taak die ligt boven zijn vermogens of hem daartoe te dwingen, hem uit te buiten of hem enig nadeel te berokkenen.
De werker, zonder enig onderscheid van sekse, heeft recht op een juiste en tijdige vergoeding voor zijn werk.
Hij heeft eveneens recht op verlof, uitkeringen en bevorderingen, die hij verdient.
Hij wordt verondersteld trouwhartig en zorgzaam te zijn in zijn werk.
Artikel 14
Ieder mens heeft het recht op het nastreven van een behoorlijk loon, zonder speculatie noch bedrog, zonder vooroordeel voor zichzelf en de anderen, woekeren (Riba) is uitdrukkelijk verboden.
Artikel 15
a)-Ieder mens heeft recht op eigendom, verworven op wettelijke wijze.
Het is hem geoorloofd om van zijn eigendomsrechten te genieten, op voorwaarde dat hij noch zichzelf, noch anderen, noch de gemeenschap schade toebrengt.
Onteigening is slechts geoorloofd voor reden van publiek welzijn, en tegen betaling van een onmiddellijke en juiste schadeloosstelling.
b)-Verbeurdverklaring of beslaglegging van bezittingen is verboden, behalve bij wettelijk besluit.
Artikel 16
Ieder mens heeft het recht om te kunnen genieten van de vruchten van ieder werk op het vlak van de wetenschap, de literatuur, de kunst of de techniek, waarvan hij de schrijver is.
Hij heeft eveneens recht op bescherming van de morele en materiële opbrengsten, verbonden aan dit werk, onder voorbehoud dat dit niet in strijd is met de voorschriften van de Islamitische wet.
Artikel 17
a)-Ieder mens heeft het recht te leven in een gezonde omgeving, beschermd tegen alle corruptie, en alle verdorvenheid, die hem toelaat zich te ontplooien.
De gemeenschap en de Staat horen hem dit recht te waarborgen.
b)-Voor ieder mens dient de Staat en de gemeenschap sociale en geneeskundige bescherming te waarborgen, alsook alle publieke diensten die hij nodig heeft binnen de grens van de bestaande mogelijkheden.
c)-De Staat waarborgt ieder mens het recht op een waardig bestaan, dat hem in de mogelijkheid stelt te voorzien in zijn noden en in deze van de personen ten zijne laste, voor voeding, kleding, huisvesting, onderwijs, medische zorgen en alle fundamentele behoeften.
Artikel 18
a)-Ieder mens heeft het recht op bescherming. in zijn bestaan, zijn geloof. zijn familie, zijn eer en zijn bezit.
b)-Ieder mens heeft het recht op vrijheid in het inrichten van zijn persoonlijk leven, in zijn woning, onder de zijnen, in zijn relaties met anderen, en in het beheer van zijn goederen. Het is verboden hem te bespieden, hem in het oog te houden, of zijn reputatie te schaden. Ieder mens dient beschermd te worden tegen elke willekeurige tussenkomst.
c)-De woonst is onschendbaar in alle omstandigheden. Niemand mag er binnendringen zonder de toestemming van de bewoners of op een onwettelijke wijze.
Het is niet toegelaten om ze te vernielen, ze aan te slaan of er de bewoners uit te verdrijven.
Artikel 19
a)-Alle personen, bestuurders en ondergeschikten, zijn gelijk voor de wet.
b)-Het recht op gerechtelijk beroep is voor iedereen gewaarborgd.
c)-De verantwoordelijkheid is, in wezen, persoonlijk gebonden.
d)-Er kan geen overtreding of straf plaatsvinden tenzij het voorzien is in de schikkingen van de Sjaria.
e)-De beschuldigde wordt verondersteld onschuldig te zijn zolang zijn schuld niet bewezen is door een rechtvaardig proces, dat hem alle garanties voor zijn verdediging waarborgt.
Artikel 20
Zonder wettelijk motief is het niet toegelaten, iemand aan te houden, hem van zijn vrijheid te beroven, hem te verbannen of te bestraffen.
Het is ook niet toegelaten hem een marteling te laten ondergaan, noch lichamelijk noch geestelijk of welke vorm van vernederende behandeling, wreed of in strijd met de menselijke waardigheid.
Het is ook verboden wie ook te onderwerpen aan medische of wetenschappelijke experimenten, behalve met zijn goedkeuring en op voorwaarde dat zijn gezondheid en zijn leven niet in gevaar komen.
Het is verboden uitzonderlijke wetten uit te vaardigen die dergelijke mogelijkheden zouden verlenen aan uitvoerende autoriteiten.
Artikel 21
Het is formeel verboden om iemand te gijzelen, onder welke vorm en om welke reden ook.
Artikel 22
a)-Ieder mens heeft het recht op vrije meningsuiting, mits ze niet in tegenstelling is met de Sjaria.
b)-Ieder mens heeft het recht het goede op te leggen en het kwaad te verbieden, overeenkomstig de voorschriften van de Sjaria.
c)-Informatie is een vitaal gebod voor de samenleving.
Het is verboden ze te gebruiken of te benutten om schade te berokkenen aan de heiligheid of aan de waardigheid van de profeten; of voor doeleinden die zouden kunnen schaden aan morele waarden of die het mogelijk maken dat de gemeenschap vatbaar wordt voor verdeeldheid, ontbinding, of voor geloofsverzwakking.
d)-Aansporing tot etnische of sektaire haat is verboden, evenals zich over te geven aan welke daad ook van aard die rassendiscriminatie, onder al zijn vormen, zou aanmoedigen.
Artikel 23
a)-Regeren is een opdracht van vertrouwen.
Teneinde de fundamentele rechten van de menselijke persoon te waarborgen, is het totaal verboden om ze met misbruik en willekeur uit te oefenen.
b)-Ieder mens heeft het recht om rechtstreeks of onrechtstreeks deel te nemen aan het bestuur over de publieke aangelegenheden van zijn land.
Hij heeft eveneens het recht om openbare functies op zich te nemen. overeenkomstig de schikkingen van de Sjaria.
Artikel 24
Alle rechten en vrijheden aangegeven in deze Verklaring, zijn onderworpen aan de voorzieningen van de Sjaria.
Artikel 25
De Sjaria is de enige referentie voor de verklaring of interpretatie van gelijk welk artikel vervat in deze Verklaring.
Commentaar:
Deze verklaring lijkt, eigenaardig genoeg, sterk de onze, wat de moslims in staat stelt te verklaren dat ze de "De Universele Verklaring van de Rechten van de Mens" aanvaarden alhoewel ze op de meest belangrijke punten volledig haaks staat op de onze.
