De verwereldlijking van onze samenleving heeft een diepe kloof gegraven in onze maatschappij. De laïciteit is slechts gerechtvaardigd wanneer het begrepen wordt als een onafhankelijkheid van de wereldlijke sfeer ten opzichte van de religieuze sfeer, maar niet ten opzicht van de morele sfeer. Met andere woorden: een scheiding tussen het religieuze en het tijdelijke, evenals een scheiding van de controle op beiden.
Het laïcisme in tegendeel sluit ook de verwerping in van de morele waarden en van elke transcendentie in de private sfeer en laat de publieke sfeer uitsluitend in handen van de tijdelijke machthebbers. In feite komt dit erop neer dat het religieuze gezag onderworpen wordt aan het politieke gezag.
Men vergeet dat het de religie is die, in eerste instantie, de diepgang geeft aan de cultuur en die het land een structuur geeft, en niet de politieke macht.
Elke verwijzing naar het transcendente uit de politieke sfeer weren is, simpelweg, een vorm van machtsmisbruik. Inderdaad: Men heeft mensen die in God geloven en mensen die niet in God geloven. Noch de enen noch de anderen hebben een onweerlegbaar bewijs voor hun overtuiging, want het gaat hier immers over “geloven”. De enen zowel als de anderen dragen bij aan het onderhoud en het opbouwen van de gemeenschapsvoorzieningen. Men moet dan ook de vraag stellen waarom de enen zich wel mogen uiten en de anderen niet. Beiden hebben een “mening” over de wijze van samenleven en de enen moeten de “dictaten” van de andere niet zonder meer aannemen. Vandaar de noodzaak tot een debat; dit weigeren is antidemocratisch.
Deze onnatuurlijke laïciteit wint meer en meer veld in onze maatschappij. Het is toch tegenstrijdig dat ze zich tot een dogma wil verheffen in Europa. Wij mogen Europa niet de weg laten opgaan die het de afgelopen 60 jaar heeft gevolgd naar een onzekere bestemming.
Enkele recente voorbeelden: - Het gebruik van openbare zalen wordt verboden om te debatteren over gevoelige maar ook essentiële problemen zoals cultuurverschillen bij voorbeeld. Dit betreft een schending van het fundamentele recht op vergadering en meningsuiting. - Het verwijderen van religieuze symbolen uit openbare gebouwen. Deze gebouwen behoren tot alle burgers, gelovigen en niet gelovigen, en het wegnemen van symbolen die liefde en vrede vertegenwoordigen, is een onheilsvoorspelling. - Wanneer men weet dat de neutraliteit niet bestaat is het opleggen van “neutraliteits” cursussen aan leerkrachten van het openbaar onderwijs, voor gelovige en niet gelovige leerlingen, is een machtsmisbruik. Eén gemeenschappelijk punt in deze verschillende gevallen: de beslissingsbevoegde personen prijzen verdraagzaamheid en openheid als grondslag van de menselijke gedragingen, maar worden dan zelf, tot in het extreme, onverdraagzaam vanaf het ogenblik dat iemand er ideeën op nahoudt die afwijken van de hunnen.
