Libanon, één voorbeeld!
De infiltratie van sjiietische elementen in Libanon is begonnen nadat, in het begin van de tachtiger jaren, Khomeini de macht overnam in Iran. De infiltranten hebben hun best gedaan om er ziekenhuizen, onthaalcentra en andere liefdadigheidsinstellingen op te bouwen om zich sympathiek te doen overkomen bij de Libanese bevolking. De "honey moon" was echter vlug voorbij.
In zijn boek « Comment je suis redevenu chrétien » beschrijft Jean-Claude Guillebaud, de huidige voorzitter van de uitgeverij « Le Seuil » zijn belevenissen in Libanon in die tijd. : “Gegrond op identitaire en religieuze eisen, kondigde deze vreemde beweging veranderingen aan op een planetaire schaal. Het vervolg van de wereldgeschiedenis en de opkomst van allerlei fundamentalistische bewegingen zullen deze hypothese niet tegenspreken. In een andere gedachtegang, denk ik aan de specifieke wreedheden die zich in Libanon hebben voorgedaan gedurende de eerste jaren van de burgeroorlog.(…)
Wij hebben onbeschrijflijke wreedheden beleefd die, zo dachten wij, zich heel goed bij ons konden afspelen, in ons oud en ingeslapen Europa.
Wreedheden? Ja, die vreemde zinsverbijstering, die in enkele ogenblikken van een gewoon mens een, tot alles in staat zijnde, beul kan maken.”
Wie ziet er geen parallel tussen deze getuigenis, de hieronder beschreven beleefde gebeurtenissen en deze die zich nu voor onze ogen afspelen?
Wij geven nu de pen aan Michaël Béhé, journalist in Beiroet. Hij schrijft: De meest schijnheiligen ter wereld.
Is generaal Michel Aoun, een rechtschapen mens, indien deze bestaan, niet bezig een historische wending te missen? Politici, journalisten en Libanese intellectuelen hebben dezer dagen de schok van hun leven beleefd. Zij wisten dat Hezbollah een onafhankelijke Staat opgericht heeft in ons land, een Staat met inbegrip van alle ministeries en parallelle instellingen, als kopieën van de Libanese.
Wat zij niet wisten, en slechts ontdekken dankzij deze oorlog, is de omvang van deze fagocytose (parasiet). Hun verbazing verlamt hen en vervult hen met afgrijzen.
In feite, is ons land een extensie van Iran geworden, en onze zogezegde politieke macht diende bovendien als politiek en militair scherm voor de terroristen uit Teheran. Wij ontdekten plotseling dat Teheran meer dan 12.000 raketten, van alle types en kalibers, op ons grondgebied opgeslagen had en dat zij geduldig en systematisch, met de hulp van Syrië, een ondersteunende troepenmacht georganiseerd hebben die, dag na dag, alle kamers van het Huis-Libanon in bezit namen.
Stel u voor dat de Zilzal grond-grond raketten op ons grondgebied opgesteld staan. Het afschieten van zo’n tuigen, buiten ons weten, is in staat om een strategisch regionaal conflict te doen oplaaien; dat de vernietiging van Libanon zou kunnen voor gevolg hebben. Wij wisten dat Iran, door bemiddeling van Hezbollah, een waarachtige Maginot-linie bouwde in het zuiden, maar het zijn de beelden van Maroun el-Ras en van Bint J’Bail die ons de omvang van de werken getoond hebben.
Een dimensie die ons ineens verschillende zaken getoond heeft. Wij waren onze eigen meesters niet meer. Wij bezaten de noodzakelijke middelen niet meer om deze trend om te buigen. Diegenen die in ons land een voorpost gebouwd hebben voor hun islamitische doctrine tegen Israël hadden geenszins de bedoeling om vrijwillig afstand te doen van hun greep. De besprekingen tussen de meeste politieke strekkingen in Libanon betreffende de uitvoering van de Resolutie 1559 was dus slechts zand strooien in de ogen. Iran en Syrië hadden geen miljarden dollars geïnvesteerd om Libanon te militariseren om er hun strijd te leveren; om daarna de belangen van de Libanese en de Internationale Gemeenschap in te willigen, hun ijzerwerk op te vouwen en zich terug te trekken.
De besluiteloosheid, de lafheid, de verdeeldheid en de onverantwoordelijkheid van onze leiders zijn zo groot dat zij hun talenten zelfs niet hoefden te gebruiken. Geen noodzaak voor een krachtmeting samen met de andere politieke componenten in het land van de ceders. Deze laatste zijn versnipperd en blijven dit tonen.
Ons leger natuurlijk, gedurende jaren gereformeerd door de Syrische bezetter om nooit meer zijn rol als verdediger van de Natie te kunnen vervullen, had niet meer de kracht zich te meten met de Hezbollah-milities. Door de explosieve onevenwichten die men in de verschillende brigades terugvindt, is het gevaarlijker beroep te doen op het leger dan om het op te sluiten in zijn kazernes. Het is een macht die nog sterk onder de invloed leeft van haar voormalige vreemde meesters en die hierdoor nog steeds oncontroleerbaar is; tot zover zelfs dat ONZE radars ter beschikking gesteld werden waardoor Iranese raketten er bijna in geslaagd waren een Israëlisch schip te kelderen voor Beiroet.
Hadden de niet-Hezbollah parlementsleden geen kennis van de aanwezigheid van de grond-zee raketten op ons grondgebied? Het gevolg was de vernieling, en terecht, van al onze radars door het Hebreeuwse leger. En dan zijn wij er nog goed vanaf gekomen. Het is eenvoudig nu te jammeren en, schijnheilig, de rol van slachtoffers te spelen. Wij zijn akkoord om ons te doen beklagen en te beweren dat wij nooit verantwoordelijk zijn voor de wreedheden die zich op ons grondgebied, met regelmatige tussenposen, afspelen. Natuurlijk is dit maar kletspraat!
De resolutie 1559 van de Veiligheidsraad, eist dat ONZE regering, ONZE strijdkrachten en ONS leger zich op ONS grondgebied en over de gehele lengte van de internationale grens met Israël ontplooit, alsook de ontwapening van alle milities doorvoert. Dit werd op 2 september 2004 gestemd.
Wij hadden twee jaar tijd om deze resolutie uit te voeren teneinde een vreedzaam bestaan te verzekeren voor onze kinderen; en wij hebben daar, strikt genomen, niets van verwezenlijkt. Onze grootste misdaad(?), maar niet de enige(!), is niet dat wij er niet in geslaagd zijn maar dat wij ook niets ondernomen hebben. En dit is slechts de fout van onze deerniswekkende Libanese politici.
Onze regering heeft, zelfs na het vertrek van de Syrische bezetters, boten en vrachtwagens vol wapens, bij ons laten afladen. Zonder zich zelf te bekommeren over hun lading. Men heeft de kansen voor een herleving laten voorbijgaan door de Lente van Beiroet te verwarren met de bevrijding van Beiroet. In feite werd ons een gelegenheid geboden, een soort van onverwacht moratorium, dat ons moest toelaten onze toekomst in de hand te nemen, niets meer.
En zeggen dat wij zelfs niet in staat waren het eens te worden om Emile LAHOUD, de marionet van Al-Assad, op het Martelarenplein op te hangen; en dat we zien dat hij nog steeds president is in wat sommigen halsstarrig nog onze republiek noemen? Men moet niet verder zoeken: wij zijn wat wij zijn, dit betekent “niet veel”.
Alle personen die een publieke en informatieve verantwoordelijkheid hadden in dit land zijn verantwoordelijk voor deze catastrofe. Behalve deze van mijn confraters, journalisten en uitgevers die gestorven zijn, vermoord door de Syrische geheime agenten, omdat ze minder laf waren dan diegenen die het overleefd hebben. En LAHOUD is in Baabdé gebleven! (het presidentieel paleis van de Libanese Republiek)
En wanneer ik het over de catastrofe heb, dan heb ik het niet over de Israëlitische reactie als vergelding voor de agressie tegen haar burgers en haar leger, die zich vanuit ons grondgebied voltrokken heeft en waar wij niets ondernomen hebben om dat te verhinderen en dus verantwoordelijk zijn. Een uitvlucht voor deze verantwoordelijkheid zoeken - sommigen hier hebben zelfs niet de minimale kennis over het volkerenrecht om dit te begrijpen - zou betekenen dat Libanon in zijn hoedanigheid van Staat niet bestaat.
De schijnheiligheid duurt voort: zelfs bepaalde hoofdredacteurs van de achtenswaardige “l’Orient-le-Jour” vergelijken de wreedheden van de Hezbollah met deze van de Israëliërs. Schande! Lafheid! En wie zouden wij zijn in dit fabeltje? Ad aeternam de arme slachtoffers van andermans ambities.
Ofwel ondersteunen de politieke leiders deze onzinnige thesis, ofwel zwijgen ze. Diegenen van wie wij een reactie verwachten, zwijgen zoals de anderen. En ik maak voornamelijk een zinspeling op generaal AOUN die de waarheid had kunnen zeggen. Zelfs Walid JUMBLATT, zijn vijand, heeft zich minder(?) vaag uitgedrukt. Slachtoffer ? Libanon? Wat een lachspel!
Voor de Israëlische aanval was er geen Libanon meer, het was slechts een hologram. In Beiroet waren sommige gedeelten van de stad verboden voor onschuldige burgers zoals ik. Maar onze politie, ons leger en onze rechters mochten daar ook niet meer binnen. Dit was het geval, bij voorbeeld, van het hoofdkwartier van Hezbollah en de Syriërs in de Haret Hreik buurt.
Een kwadraat kilometer, een hoofdstad in de hoofdstad, bestendig bewaakt door het leger van HORLA, met zijn instellingen, zijn scholen, zijn kinderkribben, zijn rechtbanken, zijn radio en televisie en vooral(?) Zijn regering. Een “regering” die zelf beslist heeft, in de plaats van de poppen van de Libanese, waarin Hezbollah eveneens zijn ministeries had, een buurstaat aan te vallen met dewelke wij geen enkel substantieel of gerechtvaardigd geschil hadden en ONS aldus in een bloedig conflict stortte.
Indien een soevereine Staat (Israël), zijn grondgebied laat aanvallen, acht van zijn soldaten laat vermoorden, er twee anderen laat kidnappen en tegelijkertijd raketten op negen van zijn steden laat afschieten, en dit geen casus belli is, dan moet men ernstig overwegen de definitie van dit juridisch principe te herzien.
Zo zijn bijna alle laffe politici, met inbegrip van enkele religieuze sjiieten, bereid iedere bom te zegenen die door een F-16 gelost wordt, die Haret Hreik, in het centrum van Beiroet, de belediging van onze soevereiniteit, tot een maanlandschap herleidt.
Wat hadden wij moeten doen om zonder de Israëli’s een nieuwe kans te krijgen die wij in geen geval verdienen, ons land weder op te bouwen?
Door ieder Iraans-Syrisch fort dat Jeruzalem vernietigt, door iedere islamkrijger die men doodt, herleeft Libanon op proportionele wijze! De Israëlische soldaten doen, alweer eens, ons werk. Alweer, zoals in 1982, zijn wij toeschouwers, lafaards, deerniswekkend, gevloerd, ellendig en gaan we hen bovendien nog bespotten terwijl zij door hun heldhaftige offervaardigheid ons toelaten niet alle hoop op te geven. Om niet opgeslorpt te worden in de ingewanden van de aarde. Want, vanzelfsprekend, door ons aanhoudend te bekommeren om Zuid Libanon, zoals om ons laatste hemd, door de buitenlanders onze voorrechten, die wij bezaten, te laten afnemen hadden wij geen mogelijkheid meer onze onafhankelijkheid en soevereiniteit terug te winnen.
Indien, bij het einde van deze oorlog, het Libanese leger terug de controle over zijn grondgebied krijgt en zich ontdoet van de Staat in de Staat, die deze laatste trachtte te wurgen; dan is het dank zij TSAHAL, en dit weten de hazenhart politici, zoals de oplichter Fouad SINIORA, Saad HARIRI, de zoon van de plunderaar van Libanon, en generaal Aoun-de-rechte, maar al te best.(…)
